Aflevering 10, 31 maart

Parijs, september  1958

Zondagmiddag en zoals zo vaak op een mooie nazomerse vrije dag, loopt Filou haar vaste route door het Bois de Bolougne. Het is er niet al te druk zo tegen het einde van de middag. Families met kinderen zijn al naar huis en het park is van haar en wat verliefde stelletjes. Ze denkt aan de week die ze heeft gehad, de kinderen hebben haar weer lekker uitgeput met hun drukke activiteiten. Zou ze ooit de tijd en energie hebben om op zoek te gaan naar een leuke man, om een relatie op te bouwen? Als de kinderen eenmaal in bed liggen, heeft ze meestal nog net genoeg puf om even in bad te gaan. Het is al weer weken geleden dat ze bij haar moeder op bezoek is geweest. In gedachten verzonken loopt ze verder.

‘Hé, pas op! Je loopt bijna het water in!’

Filou schrikt op van een ruk aan haar arm en de stem van een haar onbekende vrouw. Verdwaasd kijkt ze om zich heen, om zich te realiseren dat ze inderdaad bijna de vijver in was gelopen. Ze schiet in de lach.

‘Wat stom zeg. Ik ken het park zo goed, ik zou denken dat er ik met mijn ogen dicht doorheen zou kunnen lopen. Maar deze vijver…’

‘Ligt er echt al een tijdje. Misschien ken je de weg toch minder goed dan je dacht?’ De onbekende vrouw lacht voorzichtig met haar mee.

‘Dank je wel, je hebt me op z’n minst behoed voor natte voeten. Ook al woon ik hier dichtbij, dat is toch een vervelende tocht.’

‘Graag gedaan. Het was een kleine moeite. Ik ben wel benieuwd waar je aan dacht… Je leek mijlenver weg.’

‘Eigenlijk iets heel onnozels. Dat ik het zo druk heb met de drie kinderen waar ik de gouvernante van ben, dat ik me afvraag of ik zal eindigen als oude vrijster.’ Nu lachen ze in koor. Als ze uitgelachen zijn, kijkt Filou de onbekende vrouw nog eens aan.

‘Nu is het mijn beurt om nieuwsgierig te zijn. Kom je hier vaker? Je gezicht komt me zo bekend voor.’

De vrouw knikt.

‘Ik woon hier ook in de buurt en werk ook als gouvernante. Nu ongeveer een half jaar. Ik ken hier nog niet zo heel veel mensen.’

‘Dan is het de hoogste tijd om daar mee te beginnen. Ik ben Filou, ik werk voor de familie Fanchamp, inmiddels al zes jaar. Als je wil stel ik je met alle liefde voor aan wat andere gouvernantes. We proberen zo af en toe op vrije dagen ook samen wat te doen. Je kunt altijd mee als je wil?’

‘Elisabeth Lafeber, sinds kort zorg ik voor de kinderen van de familie Gascogne. Het is mijn eerste aanstelling als gouvernante.’

‘O en volgens mij hebben de Gascognes ook nog nooit een gouvernante gehad toch? Daar kun je wel voordeel van hebben. Niet te hard werken hoor.’

Elisabeth kijkt haar met grote ogen aan.

‘Grapje. Maar zeg eens, waar kom je vandaan? Ik hoor volgens mij een accent?’

‘Ik kom uit Nederland. Mijn familie komt wel uit Frankrijk en inmiddels woon ik hier al even. Hopelijk verraadt mijn accent me niet al te erg.’

Filou schudt haar hoofd. ‘Mag ik mijn reddende engel iets te drinken aanbieden?’ Ze is wel nieuwsgierig naar het verhaal van Elisabeth, die aan de ene kant spontaan en ontwapenend overkomt, maar die ook iets droevigs met zich mee lijkt te dragen.

Elisabeth lijkt heel even te aarzelen, maar knikt dan van ja. Bijna als vanzelf lopen ze naar een café in de buurt, een van de weinige. Ze praten over de kinderen, het leven als gouvernante met de lange werkdagen en hoe mooi Parijs is in de herfst.

‘En hoe ben jij in Parijs terecht gekomen?’ Na drie kwartier kan Filou haar nieuwsgierigheid niet langer bedwingen.

‘Ik heb familie hier, die zochten we vroeger regelmatig op, mijn vader en ik. Mijn moeder is kort na mijn geboorte overleden zie je.’

Elisabeth slikt even. Dan vertelt ze over haar vader. Over zijn voorouders die als Hugenoten gevlucht zijn naar Nederland, naar Den Haag en hoe de meesten na de Franse revolutie terug zijn gegaan naar Frankrijk. Maar niet haar vader, die inmiddels getrouwd was met een Nederlandse vrouw. Ook zijn zus, haar tante Sophia, bleef in Nederland, waar ze langzaam maar zeker een steeds belangrijker rol kreeg in de vrouwenbeweging.

‘Toen mijn moeder overleed, wilde mijn vader eigenlijk ook terug naar Frankrijk. Vooral omdat daar meer familie was die kon helpen bij de opvoeding. Maar hij twijfelde, omdat zijn zus, mijn lieve tante, niet weg wilde uit Den Haag. Ze waren als vier handen op een buik. We sliepen vaker in het huis van mijn oom en tante dan in ons eigen huis. Papa heeft me als meisje meegenomen naar Parijs, om de familie op te zoeken. Ik was nog heel jong, maar ik ben altijd blijven denken aan de prachtige boulevards met die statige huizen. Maar ook aan het gevoel dat overal in de stad familie van ons woonde. Heel anders dan in Den Haag, waar ik alleen mijn oom en tante had.’

Ze zucht even en is dan stil. Filou zwijgt en hoopt dat Elisabeth verder zal vertellen. Haar geduld wordt al snel beloond.

‘Toen kwam de Tweede Wereldoorlog. Mijn arme papa overleed tijdens het bombardement op Den Haag. Hij had een illegale drukkerij in het Bezuidenhout, wij woonden een paar huizen verderop. Hij had mij die dag ondergebracht bij mijn tante, omdat er pamfletten rondgebracht moesten worden. Daar wilde hij mij niet bij hebben.’ Elisabeth is even stil en neemt een slok van haar thee. ‘Dat is mijn redding geweest, anders was ik ongetwijfeld ook bij dat bombardement omgekomen. De hele wijk was ongeveer weggevaagd. Mijn tante heeft me opgevoed, samen met mijn oom Leenderd,  al was die wat meer op de achtergrond aanwezig. Hij heeft me later wel eens gezegd dat hij het in het begin maar niets vond, zo’n kind dat door zijn huis rende en overal met haar handjes aanzat.’

Elisabeths ogen beginnen te glimmen als ze over haar oom praat.

‘En hoe ben je dan uiteindelijk in Parijs terecht gekomen?’

‘Dat is een lang verhaal. Maar uiteindelijk ben ik hier om bij familie te zijn. Ze hebben me ook geholpen om mijn weg te vinden in de stad. Een van mijn nichtjes werkte als dienstmeisje bij de familie Gascogne. Toen ze hoorde dat ze een gouvernante zochten, heeft ze mevrouw Gascogne over mij verteld. Ik denk dat ik daar geluk mee heb gehad. Ze laten me helemaal niet zo hard werken.’

Elisabeth probeert er bij te lachen, maar Filou ziet aan haar ogen dat het niet van harte is. Ze weet niet waarom, maar ze weet zeker dat dichterbij de Franse familie zijn niet de enige reden is waarom Elisabeth nu hier is. Zeker niet door hoe ze haar zag stralen toen ze het over haar oom en tante in Den Haag had. Filou besluit haar  vragen voorlopig maar voor zich te houden.


Vanaf dat moment zoeken Filou en Elisabeth elkaar op ieder mogelijk moment op en ontstaat een diepe vriendschap. Op vrije dagen gaan ze samen uren wandelen door Parijs. Ze verkennen de wijken en zoeken naar een leuk café. Uiteindelijk komen ze terecht in Les Rosiers, waar ze vaak de oud-studiegenoten van Filou treffen. Op werkdagen lopen ze regelmatig met de vijf kinderen door het park, of laten de kinderen in een van de huizen samen spelen. De oudste dochter van familie Fanchamp vindt het heerlijk om met de één jaar oude baby van de Gascognes rond te lopen alsof het haar eigen kind is.

Veel over haar familie laat Elisabeth in die tijd niet los. Zo af en toe vertelt ze over Den Haag en dan merkt Filou hoe ze haar oom en tante mist. Af en toe gaan er neven en nichten van Elisabeth mee wandelen, of drinken ze wat mee bij Les Rosiers. Heel intensief lijkt het contact niet te zijn. Over een bezoek aan Nederland heeft Elisabeth het nooit. Als Filou er naar vraagt zegt ze dat het niet kan, dat de Gascognes haar niet zo lang kunnen missen of dat ze er het geld niet voor heeft. Filou dringt niet aan en blijft denken dat Elisabeth haar uiteindelijk het hele verhaal ooit nog wel eens zal vertellen.


© Astrid Habraken – alle rechten voorbehouden. Madame Bonheur – een Haagse roman verschijnt in 2023 in eerste versie in feuilletonvorm. Iedere aflevering is gecorrigeerd, schrijf- en tikfouten voorbehouden. In 2024 zal een complete, waar nodig herschreven versie verschijnen in boekvorm. Fysiek, dan wel als e-book.

0 reacties

Geef een reactie

%d